Ga naar de inhoud

Expeditie

Het reizen door tropische regenwoud in Nieuw Guinea vraagt geduld en volharding. Het ontbreken van wegen of paden maakt dat de snelste route via een rivier loopt. Het motto van de militaire exploratietroepen was dan ook : beter slecht gevaren dan goed gelopen. Maar op enig moment is het nodig om verder te gaan over land.

Het binnenlands civiele bestuur en het leger, patrouilleerden met grote regelmaat rondom nederzettingen. Door deze patrouilles werd een routine opgebouwd, raakten de Papoea’s gewend aan het contact met westerlingen en werden bepaalde normen afgedwongen (bv geen cannibalisme).

Hoe groen het regenwoud ook was, het was een vijandige omgeving die nauwelijks voedsel bevatte voor reizigers. Ingenieur Gouwentak beschreef het daarom als een groene woestijn. Omdat het oerwoud geen voedsel opleverde, moest alle eten meegenomen worden door dragers. Omdat de dragers zelf ook gevoed moesten worden, betekende dit dat er heel veel dragers nodig waren voor langere tochten.

Per persoon werd ongeveer een tot anderhalve kilo voedsel per dag gegeten in de vorm van rijst aangevuld met erwten en wat gedroogde vis voor de vitamines. Veelal werd het voedsel meegenomen in zogenaamde petroleumblikken die twee kilo wogen. Omdat het maximum gewicht van een drager 20 kilo was, leverde dit 18 kilo nuttig gewicht op.

Aanvullend op het dragen van voedsel waren er ook dragers nodig voor extra bagage zoals tentzeilen, kookbenodigdheden en gereedschap. Deze dragers werden ook wel doodvreters genoemd omdat ze dood gewicht meedroegen maar wel gevoed moesten worden.

Dragers met KNIL soldaat links, foto Het Geheugen/Koninklijke Bibliotheek

Al met al betekende dit dat voor voor tochten langer dan 2 weken, er niet genoeg voedsel meegenomen kon worden. De dragers van eten moesten dan immers hun totale draaggewicht inzetten voor hun eigen voeding. Veelal werd dan gewerkt met extra bevoorradingsploegen die nieuwe voorraad kwamen brengen.

Maar ook bij kortere tochten was de netto extra draaglast van een drager (dus na aftrek van de eigen voeding) zo bescheiden dat er vaak tientallen dragers nodig waren om een kleine expeditie te ondersteunen. Bij een wat grotere expeditie waren zelfs honderden dragers geen uitzondering.

Het militaire escorte bestond uit soldaten van het KNIL leger. De officieren waren Europeanen, soldaten vaak afkomstig uit Indonesie. Een aantal decennia tropenervaring hadden geleid tot een geschikte uitrusting met een bamboe tropenhoed en een bewapening die geschikt was voor een gevecht op korte afstand. Hiertoe werd de standaard sabel ingekort tot een klewang en het geweer vervangen door een karabijn.

KNIL soldaat met karabijn en klewang, Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie.

De militaire dragers werden (ketting)beren genoemd. Het waren veroordeelde gevangenen die dwangarbeid verrichten. Civiele dragers werden als het kon lokaal geworven. In het geval van de Billiton expeditie van 1936 werden lokale Papoea’s geworven.

Een reizende expeditie maakt elke middag een bivak voor de nacht. Hiervoor werd een houten stellage gemaakt die aan de bovenkant met waterdichte dekkleden werd bedekt. De drassige bodem werd bedekt met ronde stammetjes. Voor de officieren of de expeditieleiding werd vaak een tent neergezet.

Interieur van een bivak, foto Het Geheugen/Koninklijke Bibliotheek

Kapitein Antonietti schetst in een militair tijdschrift het verloop van een gemiddelde patrouilledag

Een uur voor de reveille rakelt de laatste wacht het vuur op en het water voor de koffie wordt te koken gezet. De rijst voor het ontbijt -de vorige avond reeds gekookt — wordt ook opgewarmd. Bij het aanbreken van de dag (in west Nieuw-Guinea te omstreeks 0600 uur) is het reveille. Het eerste werk is nu het inpakken en het afbreken van het bivak, want dit kan in de schemering gebeuren. Een goed geoefende troep heeft hiervoor niet meer dan een half uur nodig. Hierna wordt gegeten en omgewassen. Dan wordt er appèl gehouden en gecontroleerd dat niets werd vergeten. Is alles in orde bevonden dan wordt er omgehangen en afgemarcheerd. Het is dan inmiddels 0700 of 0715.
Op de eerste marsdag wordt er na een kwartier altijd even gestopt om de banden van de uitrusting bij te stellen en de veters aan te halen. Van elk uur wordt er ca. 15 minuten gerust. Op deze wijze komt ook de achterhoede aan zijn trekken. Deze moet nl. bij halthouden steeds wat opsluiten en verliest dus enige tijd. Ook na een steile klim moet men even rusten om op adem te komen. Zo loopt men door tot de middag, wanneer een „grote rust" wordt gehouden van 45 minuten tot een uur. Tijdens deze rust wordt volledig afgehangen en men laat om beurten de schoenen uittrekken en de voeten masseren. Ook de enkeling, die het „stoer" vindt om ter been te blijven wordt gedwongen om te rusten. Bij voorkeur rust men leunend tegen de bepakking met de voeten hoger dan het bekken. Steeds zijn de wapens bij de hand en wordt er front gemaakt naar buiten. De lopen worden doorgehaald en
de gewondenverzorger behandelt schrammen en bloedzuigerwondjes. Het is beter tijdens deze rust niet te eten, maar hooguit wat suikerwater te drinken en wat zoute vis te knabbelen. Na een volledige maaltijd behoeft het lichaam enige rust voor de spijsvertering. Zouden wij nu op een volle maag verder willen lopen dan zijn onpasselijkheid en een algemeen gevoel van onbehagen de gevolgen. Indien het stortregent ten tijde van de middagrust, dan is het vaak beter om maar door te lopen en wat eerder in bivak te gaan. Te omstreeks 1600 uur begint men uit te zien naar een goede bivakplaats. Men heeft ten minste anderhalf uur nodig voor het inrichten van een bivak, koken, onderhoud e.d. Bij het invallen van de schemering moeten al deze werkzaamheden voltooid zijn, zodat men wel tijdig in bivak moet gaan. Op zulk een marsdag, die 7 a 8 uur duurt, legt men dan 10 tot 12 km af.

Om contact met de buitenwereld te houden maakte de Billiton expeditie gebruik van een radiozender. Geprobeerd werd ook om met draagbare zenders contact te houden met expeditie groepen. Communicatie kon zowel in de vorm van morsecode zijn (radiotelegrafie) als gesproken woord (radiotelefonie).

De Lorenz expeditie had eigen marconist mee met een basiszender die afkomstig was van de PTT op Java. Hierbij waren er goede ontvangst en zendmogelijkheden naar Java. Berichten voor Nederland konden doorgeseind worden via zendstation Malabar op Java naar Nederland (radio Kootwijk).

De portable zenders voldeden echter niet. Ze konden wel goed het basisstation ontvangen, maar door de bergruggen en hoge natte bomen bleken ze niet in staat om terug te communiceren.

Translate »