Ga naar de inhoud

Luchtverkenning

In het begin van de twintigste eeuw maakte de techniek en daarmee ook de luchtvaart grote ontwikkelingen door. Het was de tijd van de open cockpit en de dubbeldekker waarbij de eerste wereldoorlog een versnelling gaf in de ontwikkeling van nieuwe modellen.

Wat betreft lange afstandsvluchten werd de voorkeur gegeven aan de vliegboot. Omdat er niet overal vliegvelden waren, kon een vliegboot overal op de route een landing maken. Zeker in Indonesie met alle eilanden, was de vliegboot een ideaal werkpaard.

De eerste keer dat Nieuw Guinea met een vliegtuig bezocht werd was in 1922 door fotograaf Frank Hurley. Vanaf 1927 werd er een vliegverbinding onderhouden tussen het Morobe goudveld en de kust. In het Australische deel van Nieuw Guinea waren relatief veel gebieden met grasland waarop een vliegveld kon worden aangelegd. In het Nederlandse gedeelte was dit veel moeilijker.

The Fly river people had not seen an aeroplane before and you may bet they jumped about in their canoes

Papuan Villager 1929 volume 1 nr 4

De eerste keer dat er in het Nederlandse gedeelte van Nieuw Guinea een vliegtuig landde, was in 1926 met de Stirling expeditie. De piloot van deze expeditie, Richard Peck, kwam in 1928 terug als piloot voor de suikerriet expeditie bij het Fly river gebied. Ook al waren vliegtuigen in het Morobe gebied al vrij gewoon, in het gebied van de Fly rivier was het bezoek van een vliegtuig zeldzaam.

Ten tijde van het bezoek van Violette aan Australie in 1928, gebruikte de Australische marine de Britse Seagull. Deze werd gemaakt door Supermarine Aviation die later onder de naam Vickers de Spitfire zou maken. Het was een dubbeldekker met een enkele motor. Een van de Seagull toestellen, had in augustus en september een verkenningsvlucht gemaakt in Nieuw Guinea.

Australische Seagull III, foto ADF serials image gallery

De Nederlandse marine luchtvaartdienst vloog aanvankelijk met kleine toestellen die meegenomen konden worden op een schip. Vanaf 1926 kregen ze de beschikking over grotere vliegtuigen : de Dornier Wal. Met deze lange afstands vliegboten kon de hele archipel bereikt worden.

Dornier Wal vliegboot, Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie.

De centrale vliegbasis was gevestigd op Java. Later werden ook steunpunten ingericht waarbij meer afgelegen gebieden ook beter bereikbaar werden. Vanaf 1937 was er op het steunpunt in Ambon sprake van een structurele aanwezigheid van Dornier vliegboten die elke drie maanden vervangen werden vanuit Java.

Dornier Wal van de marine luchtvaart dienst

De Nederlandse Dornier Wal toestellen waren van Duitse makelij maar mochten om politieke redenen niet in Duitsland geproduceerd worden. Ze werden daarom voor de marineluchtvaartdienst in licentie gebouwd door Aviolanda in Papendrecht. Het was een toestel dat internationaal populair werd en ondermeer ingezet is voor de poolexpeditie van Amundsen in 1925.

Typeplaatje D15, Marinemuseum Den Helder

Het was een 5 persoons aluminium vliegboot die met een dubbele motor was uitgerust in een trek-duw opstelling. Opvallend kenmerk waren de stabilisatievinnen aan de zijkant, de stummels. De marine gebruikte het toestel voor verkenningsvluchten, als bommenwerper , als reddingstoestel en voor vervoer van personen in afgelegen gebieden. Door het motor en vlieglawaai kon de bemanning tijdens de vlucht niet met elkaar communiceren behalve met gebarentaal.

Bemanning op de stummel van de Dornier Wal, Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie.

De Dorniers werden in vliegtuiggroepen van drie toestellen ingedeeld waarbij er voor de inzet in Nieuw Guinea gebruik gemaakt werd van het steunpunt in Ambon. De toestellen patrouilleerden met een zusterschip dat ze vergezelde en waarbij er contact was met een draadloze radioverbinding.

They had some difficulty in rising from the fresh water rivers which were sheltered and free of air currents

Interview with Seagull pilot 1928

Voor het landen en opstijgen op zee is in de regel genoeg speelruimte zodat de benodigde afstand minder belangrijk is. Voor het landen en opstijgen op een rivier of meer in het binnenland is dit wezenlijk anders. In beschut water heeft een vliegboot meer weerstand om los te komen van het oppervlak. Daarnaast moet er in verband met begroeing ook sneller hoogte gewonnen worden om op een veilige hoogte te komen.

Toen Becking in 1936 zijn voorverkenning deed en ondermeer op zoek was naar eventuele landingsmogelijkheden voor vliegtuigen in het binnenland, had hij geen duidelijke informatie tot zijn beschikking over de minimale startlengte. Navraag bij de petroleummaatschappij die met een Sikorsky amfibievliegtuig vloog, leerde dat daar een minimum lengte van 2000 meter aangehouden werd met een breedte van 200 meter. De 2000 meter hoeft niet kaarsrecht te zijn omdat een startende vliegboot nog wel een flauwe bocht kan maken tijdens het starten. Hierdoor bleek het mogelijk om op de grote rivieren te landen waarbij het grootste gevaar drijfhout was.

Landing op de Becking rivier in een Cessna in 2009

Een van de meest risicovolle landingen van een Dornier tijdens de expedities, was in mei 1937. Op zoek naar het Violettemeer werd het Dusseldorpmeer verkend wat een maximale doorsnede heeft van 1500 meter. De piloot durfde het aan om te landen. Becking beschrijft dat bij het weer opstijgen een scherpe bocht nodig was om een heuvel te ontwijken.

Om te vermijden dat een vliegboot in de problemen kwam boven land zonder mogelijkheid van een waterlanding, werd door de marine boven land vaak een vlieghoogte van 2000 meter aangehouden. Hiermee had de piloot altijd de mogelijkheid om met een glijvlucht weer de kust of een grote rivier te bereiken. Dit deed wel een concessie aan het overzicht wat je kreeg over het gebied dat overvlogen werd. Jan van Eechoud, politiecommissaris, beschrijft zijn frustratie hierover in zijn boek “Met kapmes en kompas door Nieuw Guinea”.

Het geluk wilde echter, dat er tijdens de voorbereidingen een patrouille van de Marine Luchtvaart Dienst in Nieuw- Guinea was en dat de commandant bereid was mij een kleine luchtverkenning te laten maken. Veel leverde die
bereidwilligheid echter niet op, want de Dorniers met twee motoren in tandem waren kennelijk dusdanig onbetrouwbaar, dat de piloten slechts zo ver over land durfden, dat zij bij een eventueel uitvallen der motoren in glijvlucht terug zouden kunnen komen op het water. Hierbij kwam nog, dat op de dag van de vlucht het wolkendek
op 500 meter hoogte hing, zodat we het niet erg ver brachten. Ik kon het riviertraject, dat we hadden af te leggen goed bestuderen, maar dat stond ook al vrij nauwkeurig op de kaart. Verder zag ik, meer naar het binnenland, rij na rij de bergcoulissen liggen waar ik overheen moest en die ik zo graag eens van dichtbij bekeken had om globaal een tracé te kunnen uitzetten. Maar toen ik uitnodigend wees in die richting schudde de vlieger resoluut van „nee” en zette zijn toestel meteen in de bocht, terug naar de kust.

Bij de Billiton expedities heeft de marine luchtvaartdienst in 1936 en 1937 meerdere malen assistentie verleend. Bij de laatste expeditie van 1938/1939 besloot Billiton om zelf vliegtuigen aan te schaffen : een Fokker FVII en een Grumman amfibie vliegtuig. Het vliegveld wat was aangelegd in Tanah Merah voldeed niet en de inzet van de Fokker viel tegen. De Grumman daarentegen voldeed prima maar verongelukte in 1939 tijdens een landing op het Sentani meer waarbij het toestel over de kop sloeg. De inzittenden konden gelukkig ontsnappen maar het toestel zonk naar de bodem.

Translate »