Ga naar de inhoud

Jungle

De jungle van Nieuw Guinea varieert van mangrove en moerasgebieden aan de kust, via tropisch regenwoud tot nevelwoud op de berghellingen. Qua grootte is het na de Amazone en het Congo basin, het grootste regenwoud op aarde. De centrale bergrug wordt deels gevormd door een kalksteenmassief met vlijmscherpe randen en soms loodrecht verlopende rotswanden. Door de Australiers ook wel “broken bottle country” genoemd. Op plekken met dichte begroeing is het nodig om met kapmes een weg uit te hakken. Daarbij is de ondergrond oneven, zijn er de nodige waterstromen die moeten worden overgestoken en zijn er frequent grote hoogteverschillen.

Jungle in boven Digoel gebied

Het lopen door het oerwoud werd in 1992 door journalist Tim Cahill in een van de eerste publicaties over de Korowai als volgt verwoord :

We didn’t actually stroll through the swamp; the forest floor was a mass of kneehigh grasses, spongy marsh, and low bushes. The understory hid an uneven surface, full of brackish potholes and unexpected tussocks. The exposed roots of larger trees humped up out of the ground in a series of ankle-breaking traps. It was much easier, all in all, to walk on fallen trees that happened to point in the right general direction, and it was not easy to walk on the fallen trees at all. The larger ones were slippery with moss and the smaller ones tended to crumble under my weight. I thought, as soon as we get through this shit, we’ll be on the trail. About an hour later it occured to me that this shit was the trail. Fallen trees were the equivalent of wooden walkways.

Wooden walkway

Fauna

Wat de fauna betreft is de zogenaamde Wallacelijn van belang. Binnen de Indonesische archipel loopt een scheidingslijn tussen Aziatische en Australische diersoorten. Nieuw Guinea ligt aan de Australische kant van deze lijn waarbij exotische diersoorten als tijgers en olifanten ontbreken en de grote landdieren beperkt zijn tot varkens en loopvogels (casuaris).

Een van de opvallende uitspraken van Violette is zijn verhaal dat hij of de piloot van zijn vliegtuig, een hert geschoten zou hebben toen ze geland waren op het Violettemeer. Dit kan gewoonweg niet kloppen, er komen geen herten voor op Nieuw Guinea. Waarschijnlijk heeft Violette zijn belevenissen in Borneo, waar wel herten voorkomen, geextrapoleerd naar Nieuw Guinea.

Jan van Eechoud die meerdere expedities ondernam als politiecommissaris schreef :

Zeker, Nieuw-Guinea is niet wat men gemeenlijk onder een „gevaarlijk” land verstaat. Overdekt als het is met oerwoud, herbergt het geen tijgers, panters of andere gevaarlijke roofdieren. Er zijn geen enorme pythons, die U kraken in een dodelijke omhelzing. Geen vuistgrote spinnen, wier beet U aan de rand van de dood brengt. Geen sidderalen en mensenetende pirana’s in de rivieren. Ja, zelfs de krokodillen zijn er tam vergeleken bij de agressieve monsters van Borneo, Sumatra en andere gebieden.

En toch… Toch is Nieuw-Guinea een moeilijk en gevaarlijk land, dat velen heeft verslagen, die zijn vijandigheid hebben onderschat; die meenden, dat hun ervaringen elders hen ook hier wel zouden doen slagen. Dit is het oordeel van explorateurs, die ook andere gebieden onderzochten. Lewis Lett verhaalt hoe, na de ontdekking van goud in de Yodda-vallei in Australisch Nieuw-Guinea, vijftig ruwe, geharde kerels, aan omzwervingen door de wildernis gewend, zich opmaakten om de honderd mijl van de kust naar het begeerde goud af te leggen. Een bergrug van 3000 meter hoogte schrikte hen niet af en zij lachten om de waarschuwingen van hen, die meer van
dit land en zijn jungle kenden.

Van geen enkele van hen heeft men ooit nog iets gehoord. Jaren later vonden patrouilles hier en daar verbleekte geraamten en voldoende restanten van uitrustingsstukken om uit te maken, dat men met het stoffelijk overschot van blanken te doen had. De lange dagen van zware klimpartijen, de malaria, de honger, de uitputting, het vermoeiende kappen door de wirwar van dicht oerwoud, de vochtige koude op grote hoogte en de onverhoedse bepijlingen in het donkere bos waren hun noodlottig geworden.

Weliswaar ontbreken grote roofdieren maar helemaal onschuldig is de jungle van Nieuw Guinea qua dierenwereld niet. Van de inheemse slangen is een aantal giftig waarbij de “papuan black” gevreesd is. Daarnaast zijn er een aantal andere giftige dieren waaronder de schorpioen en de duizendpoot. Deze laatste kan pijnlijke beten geven waarbij de Papoea meer angst heeft voor een duizendpoot dan voor de steek van een schorpioen of de beet van een grote spin. Naast het vermijden van bloedzuigers is dit ook een reden om met lange broek en puttees te lopen. Overigens lopen de Papoea’s zelf op blote voeten en in korte broek.

Auteur gebeten door duizendpoot

Papoea’s

Het gebied waar de Billiton expeditie opereerde was aan de voet van de centrale bergrug. De rivieren waren zo ondiep geworden dat verder varen, ook met kano’s, niet meer lukte. Daarbij kwam dat niet alleen het terrein moeilijk toegankelijk was, ook de lokale bewoners zaten duidelijk niet te wachten op bezoek. Doordat de gebieden zo afgelegen waren, leefden de Papoea’s geisoleerd van anderen en waren niet gewend aan contact.

Buitenstaanders werden als bedreigend ervaren en vaak aangevallen met pijl en boog. Expedities die maar een nacht bivakkeerden waren relatief veilig. De Papoes’s gingen zelden direct in de aanval maar observeerden eerst zorgvuldig om later terug te komen voor de aanval.

De bestuursambtenaar van Tanah Merah rapporteert :

“Vaak werden expedities begroet met oorlogsliederen. Erger nog, de leden van de expeditie werden herhaaldelijk beschoten met pijlen. Dit alles maakt het werk hier minstens zo gevaarlijk als in Atjeh, vanwege de Papoea-tactiek van het afschieten van pijlen vanuit een schuilplaats. (…) In totaal werden van 1938 tot 1940 ongeveer 25 verkenningsdeelnemers met pijlen aangevallen. Twee mensen werden doodgeschoten, zes anderen raakten ernstig gewond.”

Dit betekent dat de jungle van Nieuw Guinea een moeilijk toegankelijk en gevaarlijk terrein is waarin civiele expedities bescherming nodig hebben van bewapend escorte. Dit was meestal een militair escorte (“dekking”) maar als het binnenlands bestuur een patrouille ondernam vervulden politiemensen deze rol.

In militaire termen vertaald definieerde een Nederlandse legerofficier de jungle van Nieuw Guinea dan ook als „tropisch terrein met een dusdanige begroeiing, dat hierdoor zicht, verplaatsing en vuuruitwerking worden bemoeilijkt”. Bij een bivak dat werd gemaakt in risicovol terrein werd dan ook vaak een stuk ondergroei weggehakt om een vrij schootsveld te hebben.

De noodzaak voor bescherming bleef aanwezig in de zogenaamde ongepacificeerde gebieden waar de lokale bevolking niet gewend was aan contact. Een van de laatste gebieden waar dit voor gold was het leefgebied van de Korowai. Behalve dat de Korowai nog nooit buitenstaanders hadden ontmoet laat staan blanke mensen, geloofden ze dat buitenstaanders ook een bedreiging vormden voor het voortbestaan van hun wereld.

Buitenstaanders werden gezien als een incarnatie van overleden voorouders met kwade bedoelingen en werden niet gezien als echte mensen maar als zombies. En net zoals er in de Westerse cultuur afgerekend wordt met zombies, probeerden de Korowai ook korte metten te maken met deze ongewenste bezoekers.

Sinds de jaren tachtig werden er zuidelijk aan de Becking rivier een aantal nederzettingen gesticht waardoor er een soort veilige zone ontstond waar men gewend was aan contact. Binnen dat gepacificeerde gebied kon je veilig reizen. Noordelijk van dat gebied, boven de zogenaamde pacificatie lijn, was het niet veilig om zonder escorte te reizen. In de jaren negentig lag deze pacificatielijn ter hoogte van Yafufla. Tegenwoordig is deze pacificatielijn verdampt en zijn er nederzettingen tot ver stroomopwaarts van de Becking rivier.

Op weg naar ongepacificeerd gebied in 1993 onder escorte van pijl en boog
Translate »